Peet is kwijt
reportage, gepubliceerd op 17 Jul 2018, door Lize Hoffmanns

De broeierige zon op de hoofden van alle 22 hockeyspelers doet zijn best een gat te branden dwars door het haar heen. Een gemiddelde Nederlander zou al lang gesmolten zijn. Niet deze mannen. Zij hebben zich het tropische klimaat inmiddels eigen gemaakt, met de nodige heuvels en dalen in het bijbehorende proces. Vele zonnesteken en vervelde armen zijn hier aan vooraf gegaan.

Met behulp van de befaamde oliemaatschappij Shell zijn hele gezinnen van Nederland naar Nieuw-Guinea verhuisd. Op Sorong vonden zij hun nieuwe thuis in de vorm van een Nederlandse enclave midden in de natuur. De Shell doet er alles aan om het haar werknemers zo gemakkelijk mogelijk te maken. De huizen zijn comfortabel en licht, er is een heuse Hollandse club met wekelijkse ‘nasi-avonden’ en er wordt gezorgd voor feest en jolijt. Ook de hockeysport heeft de oversteek gemaakt.

Het zijn de mannen van de Shell die in deze wedstrijd aan kop staan. Er wordt gejoeld en gecoached, terwijl de te wisselen spelers aan de zijlijn zorgen voor de nodige verkoeling in de vorm van water en partjes sappig fruit.
Rudolf heeft net vijftien minuten achter elkaar het veld op en neer gerend, het spel verdeeld en voorzetten gegeven, dus ook hij zit nu te genieten van zijn rust en zijn uitzicht. Dit is het leven. Na een week hard werken, nieuwe plannen en tekeningen bespreken bij de nieuwe boorplaats een paar kilometer het oerwoud in, afgesloten van de bewoonde wereld, is dit een fijne ontlading. Lekker achter een bal aan rennen. Net op het moment dat hij zijn teamgenoot instructies geeft omdat die de bal het veld in wil slaan, maar wel vanaf de verkeerde plek, komt de vrouw van éen van zijn teamgenoten langs het veld naar Rudolf toe en tikt hem op de schouder.
“Rudolf? Ruud?”

————–

Met zijn hand boven zijn ogen – spelen met een pet op is niet handig – kijkt hij omhoog. Daar staat Els. Op haar heup de kleine Anne. Haar gezicht staat in een bezorgde plooi en kleine zweetpareltjes staan op de brug van haar neus.
“Ha, Els. Hoe gaat het met je?”
Els antwoordt gehaast dat het goed gaat, maar kijkt ondertussen ongeduldig om zich heen.
“Ja, goed hoor. Zeg, kan Peet zwemmen?”

De zon brandt niet langer, de wind is gaan waaien. Een stukje fruit blijft uitgekauwd tussen de kaken van Ruud plakken wanneer die bevriest van schrik. “Wat? Nee? Hij is 3 jaar!”
“Dan moet je hem nú gaan halen. Hij stond net met dat meisje van De Vries… eh Minnie, naast zich tot aan zijn borst in de zee! Ik heb Anne, ik kon niet…”

Ruud hoort het al niet meer. In zijn hoofd flitst vorige week voorbij, toen Jax luid blaffend van zee naar het huis kwam rennen, flitst hun tussenstop in Hong Kong voorbij, toen Peet opeens op een oliepijp stond ‘om te kijken hoe diep het was’, flitst elke dag van de week voorbij waarin zijn zoon weer wegliep, aangetrokken door de zee.
Normaal gesproken zit hun zwartwollige bouvier Jax op het muurtje voor het huis aan de Zeeweg, precies ter hoogte van waar Peet in het zand aan het spelen is. Jax loopt met Peet mee, springt in de jeep als Peet met zijn vader een stukje gaat rijden, slaat aan als er een leguaansoortige het huis in kruipt, ligt voor de deur voor slaapkamer om de oppas op afstand te houden… Jax doet alles wat hun verblijf in Sorong veilig maakt. Maar nu is Jax er niet. En nu gaat het dus fout.

Ruud smijt zijn stick op de grond, spuugt het stukje fruit wat nog in zijn mond was blijven hangen uit en sprint van het veld, naar de plek op het strand die Els hem zojuist aanwees.

—————

Peet staat in zee, tot aan zijn borst. De zee glinstert helemaal. Door de zon is het helemaal niet koud, lekker warm zelfs. Het helderblauwe water komt superhoog, al bijna tot zijn oksel, maar Peet is niet bang. Hij heeft zijn kleren netjes uitgetrokken en boven zijn hoofd vast. Mama zal het vast niet leuk vinden als die nat worden. Al zijn andere kleren hangen al aan de lijn in de tuin.

Hij kijkt even achterom, waar zijn vriendinnetje Minnie blijft. Die kijkt wel een beetje bang. Haar grote ogen komen nog net onder haar blonde krullen vandaan. Maar ze hoeft niet bang te zijn, want ze zijn toch samen? Peet pakt haar hand vast en samen splonzen ze langzaam verder, dieper de zee in. Die grijze pijp daar, daar wil hij heen. Wat zou daar uit komen? Misschien kunnen we ons er wel in verstoppen, denkt Peet. Leuk!
Water is zijn aller- allerlievelings.

Hoe lang een stuk rechtdoor rennen kan voelen, ervaart Ruud elke keer opnieuw als hij op weg is naar Peet en zijn lurven. Een mix van boosheid, angst en bezorgdheid vult zijn borstkas en maakt dat hij nog iets harder rent.
Nog verhitter dan tijdens de wedstrijd, de zweetdruppels uit zijn ogen knijpend, vliegt hij over het rechte pad van de hockeyvelden naar de zee. Het witte strand komt al in zicht, maar hij kan nu al zien dat Peet niet zit waar hij normaal gesproken zit. Bovendien had Els het over een soort pijp…?
Ruud staat hijgend stil en scant de kustlijn. Een heel stuk naar rechts ziet hij iets wat lijkt op een lage muur in zee.

Hee, daar is papa! Maar nog voor Peet blij kan zwaaien hoort hij hem roepen. Papa klinkt niet blij. Helemaal niet blij. Hmmm. Snel, dieper het water in!

————–

Als ze vlak bij de pijp zijn voelt Peet opeens geruk aan zijn benen, alsof er onzichtbare handen zijn knieën vastpakken en naar rechts trekken. Hij kan bijna niet blijven staan. Ook Minnie voelt het, want die knijpt zijn hand zowat fijn. “Ik wil naar mama…!” zegt ze met een trillende stem. Maar dat kan nu niet meer. Ze kunnen nu niet terug, nu zijn ze vlak bij de pijp! Hij hoort papa nog een keer roepen. Iets harder dit keer. Peet zet nog een stap… en nog een… en nog een… en dan voelt hij geen zand meer onder zijn voeten. Hij voelt wel overal water. Het prikt. In zijn oren, in zijn ogen, in zijn neus. Waar is de hand van Minnie? Spartelend probeert Peet boven water te komen, maar de handen zijn zo sterk dat elke keer na één seconde hij weer onder water geduwd wordt door die onzichtbare handen. Nu is Peet toch wel bang. Waar is papa nou?

Het hart van Ruud slaat zes keer over. Hij ziet Peet niet meer. Minnie wel, die staat huilend in zee, houdt zich vast aan de zijkant van de pijp. Maar waar is Peet’s hand? Waar is Peet?!

Hij rent over de brede rug van de pijp naar Minnie toe, tilt haar uit het water en zet haar naast zich neer. Zijn hockeytenue valt in delen naast hem op de grond, en na zijn schoenen en sokken springt ook Ruud in het water. Het komt tot net boven zijn knie. Hij grijpt in het water waar hij gespartel ziet en trekt het zieligste visje wat hij ooit heeft gezien omhoog. Een huilende, snotterende zoon, die zich meteen vastklampt aan de brede schouders van zijn vader. Ruud is woedend. Wóedend. Maar hij is ook zó blij en opgelucht, dat hij wel eeuwen zo kan blijven staan, met het visje tegen zijn borst.

Peet snottert nog wat na in de nek van zijn vader en rilt. Al zijn kleren zijn weer kletsnat. Mama zal ook wel boos zijn…
Misschien maar niet meer naar die pijp gaan. Misschien niet deze week. Misschien morgen.