“Dat de dokter ook van de patiënt kan leren was voor mij echt een eyeopener”
verhaal, gepubliceerd op 06 Oct 2019, door Lianne Deunhouwer

 

Wetenschapsredacteur Ellen de Visser (53) werkt al 25 jaar bij de Volkskrant. ‘Eigenlijk heb ik tot nu toe een zeer ééndimensionale carrière,’ lacht ze. Ondanks dat stapt de doorgewinterde journalist nog elke dag met plezier de redactievloer op; al helemaal als ze aan de slag kan met persoonlijke verhalen. ‘Dat vind ik echt het allermooiste om te doen’.

Wat heb je allemaal gedaan voordat je bij de Volkskrant terecht kwam?

“Ik heb een paar jaar Frans lesgegeven op de middelbare school, maar dat vond ik helemaal niet leuk. Ik dacht dat dat het voor me was, maar daar heb ik me flink in vergist. Ik vond schrijven erg leuk, dus toen heb ik me opgegeven voor de postdoctorale opleiding Journalistiek in Rotterdam, de eerste universitaire journalistieke opleiding in Nederland. Toen ik daarvoor stage ging lopen bij de Volkskrant ben ik nooit meer weggegaan. Eigenlijk heb ik een hele ééndimensionale carrière, haha.”

Ben je altijd al werkzaam geweest op de wetenschapsredactie?

“Nee, ik begon als verslaggever en toen ben ik me daarna gaan specialiseren in gezondheidszorg op de binnenlandredactie. Ik ben ook een paar jaar onderzoeksjournalist geweest. Sinds tien jaar werk ik op de wetenschapsredactie waar ik me vooral buig over de medische kant van de gezondheidszorg. Ik schrijf dus over nieuwe medicijnen, behandelingen, nieuwe ontdekkingen et cetera.”

Wanneer wist je dat je wilde gaan doen wat je nu aan het doen bent?

“Het gekke is, als jong meisje heb ik nooit de roeping gehad om journalist te worden. Op school vond ik het schrijven van een Nederlands opstel zelfs het allerengste examen, daar was ik heel nerveus voor. Toen me op de middelbare school gevraagd werd om wat stukjes voor een Franse krant te schrijven, heb ik dat geprobeerd. Dat was nog in het ouderwetse pre-internettijdperk, dingen gingen toen nog via de fax. Zo kwam ik erachter dat ik dat best wel leuk vond: dingen uitzoeken en er een mooi verhaal van maken.

Toen ik de journalistieke opleiding ging doen merkte ik dat ik er gevoel voor had. Ik denk ook dat je het kan leren, schrijven. Een beetje taalgevoel en het vermogen om dingen uit te kunnen leggen is handig, maar in de praktijk kan je zo veel leren. Ik heb zelf hier ook het meeste geleerd, gewoon door het te doen. In het begin was het doodeng, dan denk je vaak dat je het niet kan. Maar op een gegeven moment dacht ik: nou, ze hebben me nog niet ontslagen, dus ik zal wel iets goed doen, haha. Door steeds meer ervaring op te doen en steeds meer mensen te leren kennen wordt het vak ook alleen maar veel leuker.”

Je spreekt over het pre-internettijdperk. Hoe zag dat eruit bij de Volkskrant?

“Toen ik hier begon – oma vertelt, haha – hadden we nog buizenpost! Als er iets naar je collega’s aan de andere kant moest, dan stopte je dat in een buis en dan schoot het naar een andere ruimte. Er werd nog veel met de fax gewerkt ook, als je een stuk schreef printte je dat uit en dan zette je het op de fax naar iemand om te vragen of die er nog even naar wilde kijken. Het kon dan soms twee dagen duren voordat je reactie kreeg, haha; dat ging zo veel trager. Daardoor werd ook veel minder geschreven denk ik. Nu gaat het nieuws natuurlijk veel sneller, het vak is wel heel erg veranderd daardoor.”

De redactie van de Volkskrant in Amsterdam

Waar komt je interesse in wetenschap vandaan?

“Die had ik eerst helemaal niet van nature, maar ik heb wel belangstelling voor gezondheidszorg, het medische. Op de binnenlandredactie ben ik me daar na een paar jaar heel voorzichtig in gaan specialiseren, dat ging eigenlijk vanzelf. Ik vind het interessant omdat er zoveel kanten aan zitten; het kan gaan over emotie, maar ook over geld. Ook was ik gefascineerd door het werk van artsen. Maar wetenschap is wel andere koek.

Op de binnenlandredactie schrijf je over huisartsen die staken, euthanasie, dat soort dingen. Daar kan je je nog wel iets bij voorstellen als leek. Ik heb verder geen medische achtergrond, dus toen ze vroegen of ik op de wetenschapsredactie wilde werken dacht ik: shit, ik weet het verschil niet eens tussen een virus en een bacterie. Dus ik dacht dat dat snel genoeg mis zou gaan. Maar dan kom je er ook achter dat je alles kan leren en alles kan opzoeken. Gelukkig heb ik inmiddels een groot netwerk van wetenschappers opgebouwd; als ik ergens mee bezig ben waar ik weinig van snap, kan ik bijna altijd iemand benaderen die het me uitlegt.”

Ik was al benieuwd in hoeverre het belangrijk is om wetenschappelijk onderlegd te zijn. Heb je een bepaalde basis nodig?

“Nee dat hoeft niet hoor, ik begrijp de basis nu natuurlijk wel: ik weet hoe immunotherapie werkt en ik weet inmiddels wél het verschil tussen virus en bacterie, haha. Wel is het handig om op de wetenschapsredactie wat over statistiek te weten. Je moet bijvoorbeeld weten wat een relatief risicoreductie is, wanneer iets statistisch significant is en hoe je het aantal mensen uitrekent dat behandeld moeten worden om er één te redden. Die dingen moet je wel een beetje weten, maar je kan het vaak gaandeweg leren of online opzoeken.

Op een gegeven moment moet je dus wel een beetje verstand hebben van wetenschap, maar het vak is zo breed; het is niet te doen om overal het fijne van te weten. Gelukkig ken ik dus genoeg wetenschappers waar ik een beroep op kan doen. Nog steeds benader ik nieuwe wetenschappers en vaak vinden ze het alleen maar leuk om me te helpen door met me mee te kijken. Je voorkomt dus fouten door kennis te hebben van wetenschap, maar je moet ook vooral veel wetenschappers kennen.”

Ik vind alles wat ik doe interessant, maar als je me vraagt wat ik het allerliefst doe, dan is dat persoonlijke verhalen maken; dicht bij de mensen komen.

Wat maakt het wetenschapskatern zo belangrijk voor de lezers?

“Het is een hele fascinerende tijd om bij het wetenschapskatern te werken, want er wordt zo veel moois ontdekt en gevonden. Ik schrijf best wel veel over kanker en als je ziet wat er op dat gebied allemaal ontdekt wordt, dat is zo bijzonder. Bijvoorbeeld immunotherapie, dat je je eigen immuunsysteem kan activeren om kankercellen op te ruimen. Twintig jaar geleden was dit een vakgebied dat eigenlijk uit mislukkingen bestond en sinds een jaar of vijf zien we alleen maar steeds meer nieuwe medicijnen en behandelingen ontstaan. Om daar zo aan de zijlijn van te staan; te zien wat er gebeurt, dat ik mensen ook mag interviewen en dat ik daar iets moois van mag maken, dat is zo gaaf.

We proberen de lezer ook een kijkje te geven in die keuken: wat gebeurt daar allemaal? En dat op een manier dat ze het kunnen begrijpen, ik vind dat wel heel belangrijk om te doen. En als het om medische dingen gaat zijn we toch eigenlijk allemaal patiënten? Die functie hebben we ook voor mensen om ze te laten zien wat die ontdekkingen voor hen als patiënt kunnen betekenen. En ook om daar kritisch over te zijn, om niet elke muis die geneest van een hiv-infectie te bombarderen als doorbraak. “

Wat vind je zo leuk aan wat je doet?

“Het klinkt misschien stom, maar alle stukken over wetenschap en medische dingen vind ik minder leuk dan het schrijven van persoonlijke verhalen, zoals de serie Die ene patiënt. Dat vind ik het allerleukst om te doen. Binnenkort ga ik ook vijf verhalen maken over ooggetuigen van de Tweede Wereldoorlog; dat vind ik het allergaafst. Die persoonlijke verhalen zou ik het allerliefst alleen maar maken. Het mooie is dat ik ook de ruimte krijg om dat te doen. Ik heb een chef die gewoon zegt ‘joh, ik heb nog nooit nee gezegd tegen een mooi verhaal, ga maar doen’.

Nu is het niet zo dat ik vier weken mag onderduiken en alleen maar persoonlijke verhalen mag maken. Ik moet nog wel het vakgebied in de gaten blijven houden, maar als ik het er een beetje tussendoor probeer te manoeuvreren, dan vindt ‘ie dat goed. Ik kan dat kennelijk ook zo opschrijven dat het mensen boeit en dat is heel leuk om te merken. Maar het is altijd een beetje geven en nemen. Ik vind het andere zeker niet stom. Ik vind dat ook hartstikke interessant, maar als je me vraagt wat ik echt het liefste doe dan is het persoonlijke verhalen maken.”

Een dokter lijkt vaak onaantastbaar. We denken dat hij of zij alles wel weet, maar ook een dokter voelt twijfels, angsten, verdriet en zelfs wanhoop.

Dit jaar kwam er een bundeling uit van je serie Die ene patiënt. Hoe ben je toentertijd op het idee gekomen voor die serie?

“In 2017 wilden we een zomerserie maken en toen kwamen we op het idee van dokters die over één patiënt vertellen. Ik had toen mijn zwager Huib in mijn achterhoofd. Hij is drie en een half jaar geleden overleden aan darmkanker en tijdens zijn behandeling bevriend geraakt met zijn oncoloog, Pieter. Hij was ook op zijn begrafenis, wat ik heel apart vond, want dat gebeurt heel weinig. Later sprak ik hem en toen vertelde hij: “Huib was niet alleen mijn vriend, maar ik heb ook heel veel van hem geleerd.” Dat is in mijn achterhoofd blijven zitten en toen dachten we: laten we kijken of er meer artsen zijn die één patiënt hebben die zoveel indruk heeft achtergelaten dat ze er iets van hebben geleerd.

Pieter wilde toen wel meewerken en ik dacht dat het heel lastig zou worden om meer artsen te vinden, dat ik voor elke tien mails die ik zou sturen er met geluk misschien één terug zou krijgen. Maar voor elke tien mails kreeg ik er negen terug! Zo kwam het ene na het andere verhaal bovendrijven en begon het te lopen. Niet alleen artsen hebben meegedaan, ook verpleegkundigen, psychologen, verloskundigen en zelfs een dierenarts. Zo is het een beetje uit de hand gelopen eigenlijk, haha. Het is een heel persoonlijk iets en het werd heel populair onder de Volkskrant-lezers.”

Waarom denk je dat het zo belangrijk is om deze verhalen te vertellen?

“Vaak schept bijvoorbeeld de witte jas van de dokter een soort afstand. We denken altijd dat die dokter alles wel weet; er bestaat een soort van onaantastbaarheid. Maar die dokter heeft ook zijn of haar twijfels, angsten, verdriet en soms zelfs wanhoop. Ook denken we vaak dat we een nummer zijn, dat we de zoveelste zijn op de polikliniek. En dan blijkt dat dat toch anders zit, dat er patiënten zijn die de dokter altijd bij zullen blijven en niet slechts een paar maanden, maar soms wel veertig jaar.

Als we buiten de wetenschapsredactie over artsen schrijven, is het heel vaak negatief, dat gaat dan bijvoorbeeld over gemaakte fouten. Maar dit zijn gewoon persoonlijke verhalen waarin artsen heel openlijk vertellen over wat ze hebben meegemaakt. Ik had me dat nooit gerealiseerd, dat een dokter ook van zijn patiënt kan leren. Ik dacht dat het enkel andersom was: de dokter heeft kennis en de patiënt profiteert daarvan, toch? Dat een dokter ook van de patiënt kan leren was voor mij echt een eyeopener. Dat merkte je ook aan de lezers, die vonden dat geweldig. Ze kregen een soort kijkje in de keuken en vonden het heel bijzonder dat artsen zich zo kwetsbaar durfden op te stellen. Het vak werd daardoor ook wat minder vreeswekkend. Al deze dingen maakte dat ik dacht: hier moeten we mee doorgaan.”

Ellen de Visser op de redactie van de Volkskrant

Waarom heb je de serie dan toch tot een eind laten komen?

“Je moet stoppen op je hoogtepunt toch? Haha, nee, ik had er 102 gemaakt en de chef van het wetenschapskatern zei: óf je moet aan het eind van de zomer stoppen vóór het nieuwe seizoen, óf je gaat nog een half jaar door tot kerst. Het had best nog een half jaar door kunnen gaan, maar ik was toch beetje bang dat de verhalen op elkaar zouden gaan lijken of dat ze lezers het zat zouden worden. Er zijn ook Netflix-series die nét dat laatste seizoen niet hadden moeten hebben, toch? Dus ik dacht: dan stop ik. Daarna werd ik nog benaderd door mensen die toch nog wilden mee doen. Het voelt dan jammer dat ik daar niet meer mee kan werken, maar tegelijkertijd is het goed zo. Ik kreeg veel reacties van mensen die zeiden: ‘wat jammer, wat zonde, ik las het altijd als eerste.’ Nou, dan heb je het dus goed gedaan en daar ben ik blij mee.”

Een arts vertelde me eens dat hij het gevoel had het vak in te gaan met een soort van almacht. Maar die is maar zó beperkt. Het leven doet wat het wil en dat leer je niet uit een boek.

Wat heb je het meest geleerd van de serie?

“Dat artsen en verpleegkundigen van patiënten dingen kunnen leren die ze niet uit een boek leren; dat wist ik niet. Er was bijvoorbeeld een kinderlongarts die me vertelde over een kindje dat te vroeg geboren was en op de intensive care lag. Hij was ervan overtuigd dat het jongetje het niet ging redden en staat op een avond naast zijn bed om afscheid te nemen. De volgende ochtend is het kindje ineens opgeknapt, was er niks aan de hand en mocht hij een paar uur later naar huis. Een paar maanden later werd een jongetje van vier binnengebracht die bij opa en oma in de vijver was gevallen. Ze lapten hem helemaal op, dus de arts dacht dat het helemaal goed ging komen. Toen hij ‘s avonds nog even aan zijn bedje stond, kreeg hij voor zijn ogen een hartstilstand en kwam hij te overlijden.

Hij vertelde me: ‘Ik ging het vak in, een beetje naïef misschien, met het idee dat ik een soort van almacht had. Maar die is maar zó beperkt. Het leven doet wat het wil.’ Dat leer je niet uit een boek. Dat leer je door dingen te doen en te ervaren. Dat vond ik heel bijzonder en een mooie les voor mezelf: dat we als patiënt ook van meerwaarde kunnen zijn voor de dokter. Ik heb bij de serie echt wel vaak gehad dat ik na een interview naar buiten liep met kippenvel. En dan mocht ik het ook nog eens heel mooi opschrijven, ik vond dat zo gaaf.”

Zijn er mensen geweest die veel invloed hebben gehad op je werk of waar je veel van hebt geleerd?

“In het begin heb ik vooral veel van collega’s en mijn eerste chef Theo Klein geleerd. Hij zat heel vaak naast me met een rood pennetje om mee te kijken met mijn werk. Ook mijn collega Maarten Keulemans, hij had zo’n mooie en luchtige schrijfstijl. En toen dacht ik: wauw, zo kan je dus óók over wetenschap schrijven. Wetenschap heeft vaak het stigma van ‘saai’. Mensen denken: ik begrijp er toch niks van, dus ik ga het ook niet lezen. Maar Maarten introduceerde een hele mooie toon: wel informatief, maar ook met metaforen voor dingen die in je lichaam gebeuren om het begrijpelijk te maken. Dat vond ik fijn, daardoor voelde ik me vrij om dat ook een beetje te gaan doen.

Toen ik op de wetenschapsredactie kwam werken was deze nog wel plechtig, zeg maar. Dat is best wel veranderd en Maarten heeft daar een grote bijdrage aan geleverd. Maar ik heb verder geen grote voorbeelden, denk ik. Ik leer nog elke dag, maar ook gewoon door romans of andere dingen te lezen. Dan gaat het vooral om hoe mensen dingen opschrijven. Dat vind ik ook nog steeds fascinerend, om op te merken voor wat voor woorden en zinnen mensen kiezen. Ik kan daar ook heel erg van genieten. Tot op hoge leeftijd kan je daarvan leren, dat houdt niet op als je op een gegeven moment een tijd ergens werkt en denkt: nu kan ik het wel. Het kan altijd mooier en beter.”

Wat is je belangrijkste les geweest in je carrière?

“Ik denk aan twee dingen. Ten eerste heb ik geleerd dat elk verschijnsel, ieder probleem, zelfs ieder wetenschappelijk onderzoek veelkantig is, dat er niet één invalshoek is, dat je altijd oog moet houden voor een andere kijk op de zaak. Daarnaast: doordat ik steeds weer met compleet wildvreemden in gesprek moet gaan, ben ik mijn verlegenheid kwijtgeraakt. Ik heb moeten leren om de telefoon te pakken, en op mensen af te stappen, vooral toen ik nog verslaggever was en op reportage mensen in het wild moest aanspreken. Door dat heel vaak te doen wordt het makkelijker. Ik weet nu ook hoe ik anderen – lang niet iedereen heeft ervaring met de media – op hun gemak kan stellen.”

Wat ligt er nog op je pad, wat zou je nog willen doen?

“Ik zou iets meer de persoonlijke kant op willen en iets minder die echt harde wetenschap belichten. Maar de vraag is nog even hoe, want ik vind onze redactie zo ontzettend leuk; we zitten bovenop het nieuws en we schrijven zo veel interessante dingen. Eigenlijk wil ik proberen om op mijn eigen redactie fifty-fifty te doen: wel die wetenschap in de gaten blijven houden, maar ook meer op het persoonlijke zitten. Daar moet ik nog wel mijn weg in vinden. We hadden eigenlijk een regel dat je elke vijf jaar bij een andere redactie moet werken. Dat was om te voorkomen dat mensen vast zouden roesten, maar die regel is alweer afgeschaft.

Gelukkig maar, want er zijn weinig plekken bij de Volkskrant waar ik nog zou willen werken. Zo zie ik mezelf echt niet bij economie of sport zitten. En ik ben nu gewoon nog heel blij met mijn plek hier; ik mag zo veel doen. Die persoonlijke oorlogsverhalen die ik ga maken, hebben helemaal niks met wetenschap te maken, maar toch mag ik het doen. Ook bij Die ene patiënt, wat heel weinig met wetenschap te maken heeft, zei mijn chef: ‘ga maar doen’. Ik ben heel erg blij met de vrijheid die ik krijg. Ik blijf voorlopig zitten waar ik zit, maar ik wil ook een beetje blijven doorduwen zodat ik nog meer van die mooie persoonlijke verhalen mag maken.”