Michiel de Hoog: ‘Ik wil nu alleen nog maar hele goede dingen gaan doen’
interview, gepubliceerd op 14 Oct 2020, door Sander van Vliet

Michiel de Hoog (41), journalist bij De Correspondent, komt langs de Vecht in Utrecht aangefietst op een traditionele stadsfiets met een kinderzitje. Hij begint vol enthousiamse te praten over zijn werk: ‘het enige aspect waardoor mijn werk lijkt op werk is dat ik betaalt krijg, het is alleen maar plezier’. Dit was niet altijd zo voor de Hoog, met het opzoek gaan naar nieuws had hij veel moeite. ‘Ik heb ook bij een krant gewerkt, en kan me niet meer voorstellen dat ik dat ooit nog ga doen’.

Nieuws Nieuws

‘Ik kwam op een gegeven moment bij de Volkskrant terecht bij een regionale bijdrage. Ik ben enthousiast begonnen en kreeg een contract aangeboden. Ik vond het schrijven van schetsmatige observaties fantastisch. Martijn Bril toenmalig columnist deed dit ook. Hij liet mensen simpelweg lachen door sfeerbeschrijvingen. Ik mocht onder zijn column een klein rubriekje maken, hiervoor heb ik op verschillende plekken rondgelopen in dagboekvorm. Ik liep mee in de buurtsuper, het leger en de priesteropleiding. Dat was best wel grappig. Toen daarna hadden ze een regiojournalist nodig en dachten ze dat kan hij wel, maar dat was nieuwsjournalistiek en  daar moest je ineens serieus dingen gaan doen. Dan was er nationaal iets aan de hand en moest je dat op lokaal niveau gaan tonen. Of dan was er corruptie bij de provincie en gemeente, en van alles en nog wat. Het kwam er op neer dat je iets nieuws moest hebben, nieuws nieuws. Ik had geen enkele interesse in nieuws. Ik had nog nooit nieuws gezocht, ik wist ook helemaal niet wat ik zocht. Ik faalde keihard. Ik ben niet dom ofzo, dus snapte wel wat de bedoeling was, maar ik dacht op een gegeven moment ik ben dingen aan het zoeken die ik zelf helemaal niet wil. Het zijn gewoon puur dingen die door de eindredactie moeten komen.’

Joris Luyendijk schreef in 2006 het boek Het Zijn Net Mensen en dit bleek de Hoog aan het denken te zetten. ‘Toen ik dat las dacht ik: Jezus Christus, ik wil hier niet meer werken. We zijn allemaal gewoon onbedoeld de boel eigenlijk voor de gek te houden. Eigenlijk waar Rob Wijnberg, hoofdredacteur van De Correspondent, later zijn hele doctrine op baseerde.’

Moneyball

De Hoog begint te glunderen als hij vertelt over een andere grote inspiratiebron: Michael Lewis. ‘Als je Moneyball nog niet gelezen hebt en je jezelf een goddelijk weekend gunt zou ik zeggen: lees het. Het is zoveel beter dan de film en het laat zien dat journalistiek iets heel prettigs kan zijn, gewoon leuk, menselijk. Ook laat het zien dat je iets complex normaal uit kan leggen, dat mensen het kopen en mooi vinden om te lezen. De aanpak en de manier waarop hij het onderzocht, de manier waarop hij het opschreef en de manier waarop je wetenschappelijke inzichten, reportage en interviews kon samenvatten in één vorm had ik nog nooit meegemaakt. Daar kan ik nog steeds heel enthousiast van worden, van de gedachte dat het allemaal niet zo deftig, chique en saai moet. Vroeger dacht ik dat ik gewoon deftig chique en saai wilde zijn omdat dat goed genoeg was. Volgens mij heeft Lewis maar één slecht stuk geschreven, voorderest is het echt van ja, hier leer ik ook echt wat van. Je ziet ook dat hij er plezier in heeft.’

Het boek Moneyball gaat over een honkbalclub met beperkte financiele middelen die een andere methode aanhangt dan de meeste andere clubs. Ze selecteren spelers op basis van data-analyses onder leiding van de algemene manager Billy Bean. Dit project is enorm succesvol gebleken en ze hebben met deze aanpak de rijkere teams verslagen en uiteindelijk het kampioenschap behaald. Hiermee zijn ze een voorbeeld geworden voor veel sportclubs, ook in het voetbal. De Hoog wilde Billy Bean graag ontmoeten. ‘Bean bleef ik maar zo nu en dan mailen om te kijken of ik contact kon krijgen. Ook leerde ik verschillende mensen kennen die hem kende. Zo was ik in 2009 in San Fransisco voor een verhaal over Nederlandse obligatiehandelaren op Wallstreet. Ik dacht, als ik hier toch ben dan ga ik ook naar Bill Gerrard. Dat was een hele slome professor van de Leeds University Bussiness School die ooit een paper had geschreven over Moneyball en hij kende op die manier Billy Bean. Gerrard was een verschikkelijke academicus, oersaai. Hij had die week een afspraak met Billy Bean maar ik durfde gewoon niet brutaal te vragen of ik mee mocht. Ik kwam daar natuurlijk voor Bean, zo stom van mij. Toen een half jaar later was ik bij mijn zwager in Groningen, die daar studeerde, werd ik ’s ochtends wakker en zag ik ineens Billy Bean in mijn mailbox staan. Ik dacht: o wauw! Ik heb een soort boekpersonage in mijn mailbox staan.’

‘Billy Bean zelf heb ik uiteindelijk ontmoet toen ik aan het rondreizen was in Utah met mijn vrouw en kinderen. Ik heb hem uiteindelijk gesproken in het stadion en dat was niet zo heel boeiend, wel een superaardige knakker, echt leuk om hem te ontmoeten. Mijn vrouw vind het nog zo stom dat ik geen foto heb gemaakt samen, maar komop we zijn gewoon gelijken. Je wilt gewoon normaal met iemand praten.’

De Correspondent

Het boek Moneyball heeft de Hoog op meerdere vlakken geïnspireerd. De combinatie van de verhalende beschrijvende journalistiek waarbij je complexe dingen uitlegt door middel van wetenschappelijke inzichten maakt hem nog steeds heel enthousiast. Ook raakte hij door dit boek geïnteresseerd in voetbal en data-analyse in deze periode kwam hij ook bij De Correspondent terecht. ‘Rob Wijnberg begon De Correspondent en toen dacht ik, ja het gaat over de uitzondering en niet over de regel en dat is in het voetbal de orde van de dag. Ik kan hier een aantal leuke verhalen over schrijven. Daar zit je wel op een plek waar je hele leuke dingen kan doen. Ik kon echt zelf invulling geven aan mijn verhalen. Als je bij de Volkskrant heel goed bent kun je dat waarschijnlijk ook, maar ik vraag me af hoeveel mensen dat doen.’

Dat de Hoog zo op zijn plek is bij De Correspondent betekent niet dat iedereen daar goed mee om kan gaan. ‘Als je niet afhankelijk wil zijn van de nieuwsbeat moet je alles zelf doen en dat vinden mensen nog wel eens moeilijk. Wat moet ik nou eigenlijk schrijven? Het kan verlammend werken, het kan je lui maken. Kijk ik heb ook wel luie en minder luie periodes maar ik heb geen gebrek aan ideeën, ik heb meer een gebrek aan tijd. Man! Er is zoveel om over te schrijven. Ik heb de laatste tijd vooral dat ik alleen nog maar hele goede dingen wil gaan doen. Niet onderwerpen gaan doen omdat ik denk we moeten wat hebben. Ik wil puur voor de onderwerpen gaan waar ik achteraf denk dat het goed is dat ik het gedaan heb. Zo ga ik een verhaal schrijven over het spel zonder bal. Hoe belangrijk is het spel zonder bal eigenlijk en wordt dat goed waargenomen? Hoe moeilijk is dat eigenlijk om waar te nemen? Ik denk dat ik genoeg voetbal onderwerpen heb die ik wil afwerken. Ik wil dat gewoon goed doen en geen spijt van hebben.’