Ken je klassiekers
explainer, gepubliceerd op 29 Sep 2017, door Mirjam van der Ploeg

Het concertseizoen is weer begonnen. Schouwburgen en concertzalen hebben hun programma’s gepresenteerd: uitvoeringen van klassieke muziek vliegen je om de oren. Maar er is zo véél. Bach, Mozart, Chopin… Namen die bij veel mensen wel een belletje doen rinkelen. Maar deze grootheden leefden in totaal andere tijden en verschillen daardoor meer dan je waarschijnlijk denkt. Daarom: een korte wegwijzer in het doolhof van de klassieke muziek.

Allereerst een disclaimer: ‘klassieke muziek’ is een moeilijke term. Een algemeen erkende betekenis van de term is er namelijk niet, een precieze definitie geven is daarom ook lastig. Waarom is de term zo moeilijk en hoe kun je uiteindelijk zo’n ‘vaag’ begrip toch overzichtelijk maken?

Wanneer is iets ‘klassieke muziek’?

Volgens sommigen mag iets klassieke muziek heten als het een vorm van hogere kunst is; niet bedoeld voor entertainment. Maar wie bepaalt wat kunst is en wat niet?

Heel strikt genomen is klassieke muziek (etymologisch gezien) de muziek die is geschreven tijdens het classicisme. Dat is een stijlperiode die duurde van 1750 tot 1820. Nu wordt dit classicisme gezien als een periode binnen de klassieke muziek. Want als alleen muziek uit het classicisme ‘klassieke muziek’ zou mogen heten, zou Bach geen klassieke muziek hebben gemaakt. En dat maak je niemand meer wijs.

In tegenstelling tot de vage term ‘klassieke muziek’, heeft deze classicistische periode wel duidelijke afgebakende kenmerken. Net als de periodes eromheen. Grip krijgen op klassieke muziek kan dus ook het beste door deze periodes en hun kenmerken te kennen.

Over welke periodes hebben we het?

Grofweg is de muzikale geschiedenis tussen 1600 en 1900 in drie stukken te verdelen. Natuurlijk is ook voor 1600 (zogeheten renaissance-muziek) en na 1900 (vaak de dissonante periode genoemd) klassieke muziek geschreven, maar het zwaartepunt ligt in de eeuwen ertussen. Om het overzicht te behouden: een overzicht van de drie periodes binnen dat deel van de geschiedenis.

1. Barok: dramatisch, maar binnen de lijntjes

    1. Van 1600-1750 is de periode van de barok. Grote namen uit de barok zijn Johann Sebastian Bach, George Frideric Handel en Antonio Vivaldi. Net als in de beeldende kunst, is het ook in de muziek een periode van overdaad en versieringen. Maar let op: allemaal wel netjes binnen de lijntjes.
      Componisten zijn in deze tijd nog in dienst van de kerk of een koninklijk hof. In de (middel)eeuwen ervoor was de meeste muziek nog gezongen. Door de ontwikkeling van strijk- en blaasinstrumenten gaat instrumentale muziek de boventoon voeren.

      Muziek wordt vaak geschreven voor een bepaalde gelegenheid. Bijvoorbeeld dansmuziek voor tijdens feesten aan het hof. Maar ook voor de kerkelijke mis werd veel muziek geschreven. Een wereldberoemd voorbeeld daarvan is de Matthäus-Passion van Bach.

      Misschien komt dit stuk uit de barok je bekend voor, of anders dit werk.

 

2. Classicisme: gestructureerd en overzichtelijk

    1. Na de barok volgt van 1750 tot 1820 het al eerder genoemde classicisme. Grote namen uit het classicisme zijn Wolfgang Amadeus Mozart, Joseph Haydn en Ludwig von Beethoven. In deze periode gaan componisten voor het eerst in hun composities erbij schrijven hoe hard of zacht de uitvoerder moest spelen: de dynamiek.
      De muziek in deze periode is minder dramatisch dan in de barok. Componisten houden zich veel bezig met de
      structuur. In veel stukken is daardoor eenvoudig de schematische opbouw te zien, door een herhaling van bepaalde patronen of thema’s. Beethoven hangt overigens tussen het classicisme en de volgende periode in: met zijn werk geeft hij al een voorzet voor de romantiek.

      Een muziekvorm die in deze periode veel voorkomt is de sonate: een muziekstuk dat in grote lijnen altijd dezelfde opzet heeft: het opent bijvoorbeeld altijd met een vrolijk, sneller stuk, en heeft in het midden een rustiger deel.

      Misschien ken je dit stuk uit het classicisme, of anders deze klassieker.

3. Romantiek: expressief en virtuoos

  1. De periode van 1815 tot 1910 kennen we als de romantiek. Grote namen uit de romantiek zijn Frédéric Chopin, Johannes Brahms en Pjotr Iljitsj Tsjaikovski. Gevoel, emotie en dramatiek staan in deze periode centraal en dat is terug te horen in de muziek.
    Componisten zijn inmiddels ‘zelfstandig’, en moeten zelf hun muziek aan de man proberen te brengen. Er ontstonden conservatoria, en musicus werd een echt beroep. De stukken draaien een stuk meer om de eigen expressie van componisten, en worden daarnaast complexer en virtuozer. Vaste vormen en regels worden meer en meer losgelaten.

    Bach schreef bijvoorbeeld stukken voor een klavecimbel, enkele strijkers en een kleine groep blazers. Voor de uitvoering van romantische muziek daarentegen bestaat de orkestbezetting soms uit wel 125 muzikanten, met minstens zestig strijkers. De piano speelt een grote rol in deze periode, componisten als Chopin en Liszt schrijven bijvoorbeeld virtuoze muziek voor dit instrument.

    Misschien ken je dit stuk uit de romantiek, of anders dit werk.