Sinan Can: ‘Overal waar ellende is, zijn ook kinderen’
interview, gepubliceerd op 01 Nov 2021, door AudreyDeRidder

Noem een land waarnaar je nooit op vakantie zou gaan en Sinan Can is er geweest. Journalist Sinan Can schrijft boeken en maakt documentaires over het Midden-Oosten. Voor zijn werk ging hij onder meer naar oorlogsgebieden in Syrië, Afghanistan en Irak: “Je moet flexibel zijn en een profetengeduld kweken, anders wordt het heel moeilijk om in zo’n gebied te werken.”

Je kunt Sinan Can kennen van ‘Retour Kalifaat’, ‘My 9/11’ en ‘Bloedbroeders.’ Kinderen en onrecht zijn centrale onderwerpen in zijn werk. “Overal waar ellende is, zijn ook kinderen. Het is heel verdrietig hoe volwassenen de wereld van kinderen zo kapot kunnen maken. Kinderen zijn nog niet verpest. Wij verpesten hun wereld.” In ‘Sinan zoekt de klas van Elias’ liet Can de Syrische oorlog zien vanuit het perspectief van kinderen. In ‘My 9/11’ liet Can een waar kindercircus zien. “Ik heb een zwak voor de kleinste mensen op deze aarde. Zij hebben te dealen met dat wat de grote mensen hebben veroorzaakt in hun kleine wereld. Ook als die camera uit is, maak ik praatjes met ze of ga ik met ze voetballen. Tien jaar geleden sprak ik voor het eerst zo’n kind in Irak. Hij had tien jaar lang in Dronten gewoond. Dan word je uitgezet naar Irak, waar elke dag bommen ontploffen.”

Ik heb een zwak voor de kleinste mensen op deze aarde.

Je moet het maar kunnen, werken in die gebieden. “Ik wens het niemand toe om in oorlogsgebieden te werken. Ik draag die pijn en verdriet voor altijd mee. Soms heb ik flashbacks en soms droom ik over die kinderen. In Syrië was er een heel klein mannetje van drie, wiens moeder in het puin lag. Hij huilde zo intens en zo lang. Hoe troost je zo’n kind dan?”, vraagt Can zich af. Can heeft genoeg van zulke aangrijpende verhalen: “In het zuidoosten van Turkije woonde een man in een klooster. Zijn moeder heeft hem daar op zijn zevende achtergelaten en gezegd dat zij hem weer op kwam halen. Hij heeft zeventig jaar lang op haar gewacht in dat klooster. Hij heeft nooit een leven opgebouwd. Ik wilde hem bezoeken, maar hij was al overleden.”

Juist die pijn en verdriet motiveert Can. “Soms zou ik willen dat het me niet raakt. Maar het is het beste als het je wel raakt, want dat is je brandstof. Emotie is mijn brandstof. Net als die Turkse man in het klooster. Zijn liefde en hoop hield hem zeventig jaar lang op de been. In Irak riep ik: ‘Ik ga ermee stoppen.’ Toen zei een Irakese man tegen mij: ‘De hel is als niemand meer ziet dat je pijn lijdt. Jullie taak is om die pijn te laten zien aan de wereld. Dat is een ondankbare taak, maar de wereld moet zien wat er hier gebeurt’.” Can is gedreven en is zich maar al te bewust van de ernst van zijn werk. “Het mooiste zou zijn als mijn documentaire ergens een oorlog stopt. Was dat maar waar. Dat zou het allerhoogste zijn wat een journalist kan bereiken. Dat is honderd keer meer waard dan welke journalistieke prijs dan ook.”

De gebieden waar Can werkt zijn allesbehalve veilig, maar ook in Nederland is hij als journalist niet altijd veilig. “Wij maken nou eenmaal mensen boos. De ene keer is dat een boze boer, de andere keer is het een jihadist, dan is het een wappie en dan is het iemand uit het criminele circuit. Als je bezig bent met onthullingen en misstanden, trap je op staarten. Dat is gewoon zo. Als we ons laten intimideren door zulke dingen, kunnen we maar beter stoppen met z’n allen. We moeten ons ertegen uitspreken. De overheid heeft daar ook een taak in. Maar we gaan ons vak toch niet opgeven omdat een paar gekkies ons bedreigen en intimideren? Je kunt ook bij de Libelle gaan werken, maar in de harde journalistiek is dit het gevaar dat je loopt.” Can laat het zijn leven niet beïnvloeden: “Ook met een beveiliger aan je zij kun je neergeknald worden.”

Ook met een beveiliger aan je zij kun je neergeknald worden.

Ooit is hij er klaar mee, de journalistiek. Maar kinderen zal hij nooit uit het oog verliezen. “Ik ga langzamerhand werken aan een smurfendorp zonder Gargamels”, vertelt Can vol trots. “Mijn laatste wens in dit leven is om een zelfvoorzienende boerderij op te richten ergens in het Midden-Oosten, waar ik kinderen op kan vangen. Dan stop ik met mijn werk in de journalistiek en ga ik daar wonen. Ik hoop dat die kinderen dan weer fatsoenlijke, gewetensvolle volwassenen worden die ook anderen zullen helpen.” Can heeft een soefistische achtergrond, een mystieke stroming binnen de islam. “In het soefisme is het heel belangrijk dat je een keten van harten achterlaat. Jij doet iets moois voor een ander en een ander doet dat weer voor een ander. Zo gaat menselijkheid nooit kapot.” Eén ding is zeker: aan Can zal het niet liggen, hij is elke dag bezig voor een ander en lijkt dit nog wel even te blijven doen.

Sinan Can is het wel gewend, zware gesprekken. Ik, als beginnend journalist, kon echter wel wat luchtigheid gebruiken: “Voor welke voetbalclub ben je?”
“Ik ben voor NEC Nijmegen. Dat is de belangrijkste club van het universum. En jij?”
“Ajax.”
“Oké. Als je maar niet voor Vitesse bent. Je mag zelfs voor de kakkerlakken zijn, maar niet voor Vitesse.”