Interview met Willem Vissers: “Voetballers verdienen zoveel meer dan journalisten, dat die ze niet meer interesseren.”
interview, gepubliceerd op 25 Sep 2018, door Thomas Jak

Het is even wachten in de comfortabele lounge bij de receptie van De Persgroep in Amsterdam voordat Willem Vissers uit de redactieruimte komt voor het interview. Hij is de enige vaste voetbalverslaggever van De Volkskrant en dus is hij ’s ochtends al in Utrecht geweest voor de presentatie van nieuwe coach Dick Advocaat. “Ik vroeg Advocaat of hij wel de moderne trainer is die Utrecht zoekt. Hij vroeg me wat dat eigenlijk inhoudt, ‘een moderne trainer’. Ik wist zo gauw geen antwoord. Je moet gewoon zorgen dat je de beste bent: “Winnen is het enige dat telt,” zei Advocaat.” Daarin ziet Vissers een parallel met zijn eigen vak: “Nu word ik nog gewaardeerd om mijn stukjes, maar ik weet niet zeker hoe ik reageer als een jonger iemand beter is dan ik. Het is toch een ego-dingetje”

Hij schuift op televisie af en toe aan bij Studio Voetbal en schrijft een, reeds gebundelde,  wekelijkse column over zijn zoon Samuel met het Kleefstra-syndroom. Maar vooral is hij voetbalverslaggever met een herkenbare, bijna romantische schrijfstijl. In zijn wedstrijdverslagen is de sfeer in een karakteristiek stadion bijna net zo belangrijk als de wedstrijd zelf, en in zijn reportages zijn de schoonheden van het spel belangrijker dan de cijfers. “Ik ga niet, zoals zoveel journalisten, op de stoel van de trainer zitten. Ik heb niet dezelfde tactische kennis en ik schrijf gewoon graag over dingen die me verwonderen of ergeren.”

 Uw positie als voetbaljournalist op iets meer afstand lijkt me prachtig. Anderen het snelle nieuws laten doen, en zelf een dag later een uitgebreider stuk, of een mooie reportage.

“Ja, maar het is ook noodgedwongen. De Volkskrant heeft niet zes redacteuren die zich alleen maar met voetbal bezighouden, zoals de Telegraaf. Het levert ook wel eens,” hij weegt zijn woorden even, “opmerkingen op. Heini Otto, die de journalisten bij Ajax ontvangt, zei laatst: “De champions league begint, en de champions league-journalisten komen weer.” Het is een grapje, maar toch, ik zit er soms niet zo dicht op als ik soms zou willen. Je kunt wel in je ivoren toren gaan zitten, maar het is leuker om die perspectieven af te wisselen. Laatst hoefde ik even niet zoveel te doen, maar als ik drie dagen niet tik, word ik onrustig. Toen ben ik naar Ajax toegegaan en heb ik Huntelaar geïnterviewd.”

Waarom Huntelaar?

“Die ken ik al en er staan belangrijke wedstrijden voor de deur bij Ajax. Het is nu soms lastiger dan vroeger om een interview te regelen. Voetballers verdienen zoveel meer dan journalisten, dat die ze niet meer interesseren. Als ik Depay wil interviewen ben ik dagen bezig. Dat was eerder niet zo. Ik heb Van der Vaart vaak geïnterviewd en ik heb Sneijder vaak gesproken bij het Nederlands elftal. Toch krijgt ook bij zijn afscheid een andere journalist de reportage. Ik ben namelijk nooit naar Milaan of Madrid gevlogen. Aan de ene kant is daar hier minder ruimte voor dan bij andere kranten, maar het is ook een afweging. Ik wil iemand kunnen bewonderen, maar ik moet ook kritisch kunnen zijn. Dat is mijn rol. Sommige journalisten zijn bereid minder kritisch te zijn om hun goede contacten te behouden. Dat wil ik niet, maar het is zo dat veel voetballers alleen iemand willen spreken die positief over ze schrijft.”

Willen sommige spelers u niet meer spreken?

“Ik kan nu niet zo snel iemand noemen, maar het gebeurt dat spelers zeggen: ‘Ik doe mijn interview liever met het AD, want daar ken ik iemand, en bij de Volkskrant niet.’ Dan is dat maar zo. Je moet het op kunnen en durven schrijven als iemand zes weken niet goed speelt. In Nederland worden talenten ook te veel gepamperd. Als iedereen, je zaakwaarnemer, je vrienden, je vrouw, vanaf je jeugd tegen je zegt dat je heel goed bent…”

…maar zo goed zijn we niet meer in Nederland.

“En dit is één van de redenen. Natuurlijk kan het altijd gebeuren dat er wat minder goede spelers zijn, maar nu zijn we te ver teruggevallen.”

Waar ligt dat nog meer aan?

Hij bewondert voetballers graag en weet die bewondering bloemrijk te verwoorden, maar denk niet dat Willem Vissers niet stellig is. “Nederland heeft lang last gehad van de wet van de remmende voorsprong. We hoorden altijd bij de top. Voetbal was in Nederland veel eerder professioneel dan in veel andere landen. Maar ook als het goed gaat, moet je nadenken over hoe het nog beter kan. Een trainer moet constant doorselecteren. Dat is te weinig gebeurd. Veel trainers durven dat niet in een team dat prijzen gewonnen heeft.”

Dat kan toch alleen als er nieuwe goede spelers zijn?

“En daar moet je soms ook een beetje geluk bij hebben.”

Er is zelfs een KNVB-congres geweest, er moest van alles verbeterd worden aan faciliteiten en trainingsmethoden. Uiteindelijk gaat het weer goed met het Nederlandse voetbal omdat Frenkie de Jong een natuurtalent is.

“Dat is allemaal veel te zwart-wit. Als het slecht gaat, hebben allerlei mensen verschillende ideeën hoe het beter kan. Als een jonge trainer iets roept en succes heeft, dan heeft hij gelijk. Advocaat heeft het dus bij het rechte eind: Het gaat erom dat je de beste bent, dat je wint.”

“Ik denk dat jonge spelers uren moeten maken, wat dat betreft ben ik van de oude stempel. Mijn zoon kan aardig voetballen. Maar na de verplichte training gaat hij op zijn playstation. Is het toeval dat driekwart van de jongetjes bij Nederlandse jeugdelftallen een migratieachtergrond heeft? Dat is interessant. Zit het bij hun in de cultuur om meer naar buiten te gaan? Hebben ze minder vaak een playstation thuis? In ieder geval maken ze meer uren met een bal. Ze zeggen weleens dat een kind tienduizend uur moet trainen om prof te kunnen worden. Dat weet ik niet. Natuurlijk zie je soms ook iemand een bal aannemen en denk je: dat is een natuurtalent.”

En daar heb je dan toch geen invloed op?

“Op dat ene talent niet. Maar de rest moet allemaal zoveel mogelijk voetballen en een goede trainer hebben. Zodat kinderen de uren die ze wel trainen goed benutten. In Nederland is de trainer te vaak een welwillende vader. IJsland doet dat beter. Dat is een klein land, maar de laatste jaren redelijk succesvol. Bijna alle trainers zijn gediplomeerd, dus goede, maar ook minder goede voetballers krijgen goede training. Die staan dus niet twee minuten stil om vervolgens een bal tien meter over te schieten. Als ze zestien zijn, gaan ze supergemotiveerd naar Europa, omdat ze doorhebben dat ze keihard moeten werken om succesvol te zijn. Bij Ajax of AZ zitten die gastjes vanaf hun negende in de opleiding. Ze worden op school aangegaapt en gaan naast hun schoenen lopen. Velen moeten uiteindelijk van de opleiding af en zijn dan mentaal in de knoop, of hun interesse in voetbal verloren. Ze denken: Het is me niet gelukt, waarom zou ik het nog eens proberen? PSV pakt dat nu beter aan. Talenten blijven daar bij hun amateurclub, doen als ze goed zijn mee met een hogere leeftijdscategorie, en krijgen een paar keer in de week training van PSV-trainers.”

Ik dacht dat we Duitsland en België moesten volgen, door bijvoorbeeld op kleinere velden te spelen.

“Misschien wel, wie zal het zeggen? Bij het WK vroeg iemand waar ik bij zat aan de Belgische speler Kevin De Bruyne waarom het Belgische elftal zo goed is. Hij zei: ‘We hebben allemaal op jonge leeftijd een kans gekregen in de opleiding van een buitenlandse club.’ En nu kopiëren wij de Belgische trainingsvormen… Bij Duitsland en Frankrijk hebben ze de laatste jaren veel spelers met een migratie-achtergrond. Die hebben allemaal veel op straat gevoetbald, om wat voor reden dan ook. Net als Nederland in de jaren tachtig en negentig hebben Duitsland en Frankrijk maximaal geprofiteerd van de multiculturele samenleving.”

Nederland heeft maximaal geprofiteerd van de multiculturele samenleving.

Zo simpel is het dus. Talenten moeten zo vaak mogelijk voetballen, trainen onder goede trainers en “vooral plezier houden, dat is het allerbelangrijkst”, om over een paar jaar weer een Nederlands elftal aan de wereldtop te hebben. “Verder moet je het geluk hebben dat je een paar goede spelers bij elkaar hebt. Die maken elkaar ook weer beter.”

En af en toe ‘doorselecteren’ dus. U bent inmiddels 54, bent u niet bang dat dat bij u gebeurt bij de krant of op tv?

“Dat gebeurt natuurlijk. Misschien willen ze me straks niet meer bij Studio Voetbal. Vinden ze me te kaal of te oud. Daar zal ik niet wakker van liggen. Ik was hier een paar jaar terug een jaar chef sport. Ik wilde dat eigenlijk niet, stukjes schrijven is het mooiste dat er is en dat kon ik minder doen. Maar het was eens iets nieuws, dus ik deed het. Toen moest ik sommige artikelen aan anderen laten, terwijl ik dacht dat ik het beter kon. En ik moest dingen doen die ik helemaal niet leuk vind, zoals vakantiedagen aftekenen. Na een jaar wilden ze me toch niet meer als chef. Dat vond ik dan weer niet leuk.”

Maar u zegt net dat u liever stukjesschrijver bent?

“Dat klopt. Baantechnisch is dit leuker. Egotechnisch was het niet leuk. Maar vanaf dag één was ik opgelucht weer terug te zijn. Mijn leven als sportredacteur geef ik een negen. Het leven als chef gaf ik een acht. Kan je zeggen: dat is nog steeds best hoog. Maar een negen is toch echt een stuk beter, hoor. Misschien komt er een tijd dat een jonge journalist beter is dan ik. Ik weet niet hoe ik dan reageer. Waarschijnlijk goed, maar dan moet ik hem wel echt beter vinden.”

Misschien kunt u gerust zijn: Advocaat is ook op zijn 73e weer aangesteld als coach.

Met een knipoog: “Ja, en er is ook nog geen jonge journalist die beter is.”