Freek Jansen (VI), de onverwachte koning van het transfernieuws: ‘Ik heb die scoringsdrang gewoon niet’
interview, gepubliceerd op 02 Oct 2017, door Bas de Wit

Voor sommige voetbaljournalisten is de transferperiode hun jachtseizoen. Scoops, geruchten, quotes: om ze binnen te halen en als eerste te brengen zijn alle middelen geoorloofd. Koning van het transfernieuws rondom Ajax was lange tijd de keiharde news-hunter Mike Verweij van De Telegraaf. Dit jaar was dat anders. De laconieke Voetbal International-verslaggever Freek Jansen (34) troefde hem voortdurend af. Mike Verweij schreeuwde en spartelde, maar Jansen ging er met de buit vandoor. Op zijn dooie gemak.

Freek Jansen in gesprek met oud-Ajacied Richairo Zivkovic. (Foto: Pro Shots)

Jij lijkt veel te relaxt om opeens uit te groeien tot ‘Koning Transfernieuws’. Hoe kan dat dan toch gebeuren?

“Geloof me, ik doe het er totáál niet om. Ik hoef van mijn werkgever niet eens op nieuws te jagen. Het komt doordat mensen mij het gunnen, omdat ze mij kennen. Uiteindelijk is het krijgen van nieuws van een bron een kwestie van gunnen.Op die manier hoorde ik al vroeg dat Marcel Keizer de nieuwe trainer van Ajax. En op basis van de persoonlijke band die ik met een speler had, wist ik ook al snel van zijn komst deze zomer. Ik ben daar dan niet naar op zoek, maar het wordt je gegund.

Het is daarna vooral de kunst hoe je met je informatie om gaat. Die nieuwe speler vertelde mij dat ‘t echt nog niet bekend mocht worden;  mij maakt dat dan dus niets uit. Boeien, dat ik het wat later pas kan brengen. En wat als De Telegraaf het eerder had dan ik? Wat zou het. Ik heb eigenlijk gewoon die scoringsdrift niet.”

Dat verkrijgen van informatie doet denken aan twee mannen die in de kroeg het op hetzelfde meisje voorzien hebben. De een jaagt er achter aan en de ander  hangt aan de bar. Laatstgenoemde wint.

“Mijn concurrentie wordt afgerekend op dit soort werk. Ik niet. Als de transferperiode weer gesloten is, is hun seizoen eigenlijk voorbij. Dat geldt voor mij totaal niet. Ik voel me soms ook bijna schuldig, als ik meer weet dan zij. Dan denk ik soms: laat hém maar even. Ze zijn zo gehaaid op dat korte nieuws, dat is ongelofelijk. Soms, als je ze tegenkomt, bluffen ze ook tegen je, om op die manier informatie te winnen. Dan doen ze alsof ze iets heel zeker weten, zodat jij dan hapt en het bijvoorbeeld gaat ontkennen. Maar het verschil is: het boeit mij gewoon niet. Al die stress… het is allemaal niet nodig.”

Je speelde in de jeugd bij De Graafschap en NAC Breda. Kun jij dit soort werk makkelijker relativeren omdat je zelf uit de voetballerij komt?

“Dat denk ik wel. Ik neem het daardoor ook niet te serieus. Anderen kiezen ook vaak veel meer partij in beleidstechnische zaken rond de clubs. Ik doe dat veel minder. Ik sta er daardoor onafhankelijker en luchtiger in. Het luchtige wordt nu ik wat langer in het vak zit alleen maar sterker. Zeker omdat ik steeds meer voor tv-optredens wordt benaderd. Daar kun je niet ieder antwoord zeggen; ‘Ah joh, wat maakt het uit’. Je moet weten wat je zegt. Maar ik heb mede door mijn voetbal-achtergrond een bepaalde basiskennis waardoor ik niet snel verrast kan worden.’

Ik ben eigenlijk verder ook niet zo heel erg journalistiek-minded, om het zo maar te zeggen. Ik denk ook niet dat ik in een andere tak ervan zou willen schrijven. De voetbalwereld is de wereld waarin ik me al mijn hele leven begeef. Dan neem je jezelf, het wereldje en je collega’s ook niet te serieus en kan je het inderdaad allemaal goed relativeren. Je moet het vooral niet overdrijven allemaal, die voetballerij.”

Is de journalistiek voor jou niet gewoon een middel om in dat vertrouwde voetbalwereldje te kunnen blijven?

“Dat is het inderdaad. De meeste voetballers zien mij ook helemaal niet als journalist. Na een wedstrijd ben ik ook helemaal niet zo op zoek naar spelers om te spreken vanuit een journalistiek oogpunt. Dat gaat dan meer per toeval. Dan  ouwehoeren we wat en dán kun je op interessante dingen komen. Daardoor krijg ik veel meer informatie tot me dan andere journalisten, terwijl ik het daar helemaal niet om doe.”

Hoe ben je eigenlijk vanuit het betaalde voetbal in de journalistiek beland?

“In mijn laatste jaar als actieve voetballer in het tweede van NAC Breda, kwam ik erachter dat ik het zelf als prof niet ging redden. Ik vond het gezellige studentenleven in Tilburg, waar ik toen een bachelor Communicatiewetenschappen deed, ook veel te leuk. Toch bleef de voetbalwereld trekken. Op m’n achttiende was ik als speler van NAC Johan Derksen (toen nog hoofdredacteur van Voetbal International, red.) eens tegen het lijf gelopen. Die vond het wel leuk; zo’n jongen die zelf op niveau voetbalde en ook interesse had in de journalistiek. Die vertelde me dat ik als ik uitgevoetbald zou zijn, ik hem maar eens moest benaderen.

Zes jaar later besloot ik dat te doen. Je moet je voorstellen: dat was economisch een totaal andere periode. Ik heb toen gewoon een brief gestuurd naar Voetbal International. Een dag later belde Derksen me op en nog een dag later had ik een contract getekend. Nu is dat ondenkbaar; hij had nog nooit wat van me gelezen. Maar dat interesseerde hem ook niet.

In mijn eerste periode bij VI schreef ik ‘De Monoloog’. Iedere week ging ik op zoek naar een persoonlijk verhaal van een speler. Dat heb ik twee jaar gedaan. Daarna werd ik clubvolger en op een enkele club na heb ik ze nu al allemaal gehad. Ik wilde graag  juist meerdere, vaak kleinere clubs volgen. Ik heb toen zelfs  geweigerd om PSV te volgen. Dat had nog nooit iemand gedaan. Maar ik zat daar ook niet met ambities: dat ik hogerop wilde ofzo.”

Als volger van een grote club als PSV worden je stukken veel meer gelezen en heb je meer impact op de voetbalwereld. Trok dat je helemaal niet aan?

“Ik denk er nu, als volger van Ajax, nog steeds zo over. Als ze bij VI morgen zeggen: ‘Jij gaat de Jupiler League volgen’, vind ik dat ook prima. Daar heb ik totaal geen negatief gevoel bij. Het is ook gewoon veel leuker om een middag te ouwehoeren op een plein met iemand van pak ‘m beet ADO Den Haag, dan om met vijf andere journalisten tegelijkertijd aan een tafeltje voor een speler bij het Nederlands Elftal te zitten. Uiteindelijk is een verhaal een verhaal. Het verschil zit natuurlijk wel in het bereik, maar maakt dat het leuker, dat het meer gelezen wordt? Voor mij niet. Als je erg ijdel bent vind je dat wel leuk. Ik heb het eigenlijk nog steeds niet, echte carrière-ambities.”

De huidige generatie beginnende voetbaljournalisten zou een moord doen voor een vast contract bij een blad als Voetbal International. Jij hoefde alleen een brief te sturen. Denk je dat het feit dat je vanaf je 23e bij VI onder de pannen zit je verwend heeft gemaakt?  

“Dat denk ik wel, ja. Bij VI ben je gewend dat je elke week met wie je maar wil een interview kan hebben en dat het dan gegarandeerd ook gelezen wordt. In de tijd dat ik mijn contract kreeg, kreeg jan en alleman zomaar een contract. Nu hoef je niet eens meer een brief te sturen naar Voetbal International. Als je dat wel doet, schop je het met geluk tot freelancer. Het is niet te vergelijken. Toch is er ook bij ons wel degelijk druk. VI is als een voetbalclub: je moet presteren. Je kan er geen potje van maken. Ik heb genoeg collega’s  zien komen en gaan. Als je slechte verhalen maakt, gaat het mis. Dat kan je een keer overkomen, maar op een gegeven moment houdt het op.”

Wat is dat in jouw ogen, een slecht verhaal?

“Obligate verhalen. Van Johan Derksen mocht je alles maken, maar niks obligaats. Hij zag liever twee pagina’s over de passie voor vissen van een speler, dan weer een voorspelbare tekst over hoe hij het naar z’n zin heeft bij z’n club. Ik ga zelf altijd uit van het principe dat als ik het een leuk gesprek of onderwerp vind, dat de lezer dat dan ook zal vinden. Tijdens een interview zit je in je hoofd al te filteren: laat maar praten, maar dit gaat eruit. Een goed verhaal maken vereist bovenal ook mensenkennis. Als jij met een Alexander Butnner, Theo Janssen of Tommy Beugelsdijk zit, moet je over het dagelijks leven praten. Dan wordt het leuk. Als je het over trainingsintensiteit gaat hebben, heb je er niks aan.

Nu ik ouder ben, heb ik overal meer maling aan. Dat is ook belangrijk. Dat zie je vooral in de analyses die ik nu over wedstrijden schrijf. Je moet goed weten wat je níet kunt. Dat weet ik heel goed,  Zo kan ik bijvoorbeeld niet ‘mooi’ schrijven. ‘We zitten hier en de wind waait door de bomen en de kaarsjes schitteren.’ Daar ga ik helemaal niet aan beginnen, ik kan dat niet. Dat besef is denk ik een van mijn grootste kwaliteiten.”

Is jouw gebrek aan scoringsdrift en brandende ambitie ook een journalistieke kwaliteit?

“Dat denk ik wel. Ook voor jezelf op een persoonlijk niveau. Je maakt je zoveel minder druk. Het moet wel bij je passen, je kan er ook nerveus van worden. Maar ook voor het contact met de voetballers is het echt beter. Die vinden dat veel fijner, een relaxte journalist tegenover zich. Ze hebben het gevoel dat ze je kunnen vertrouwen en iets kunnen zeggen, zonder dat ze genaaid gaan worden. Ik heb zo vaak informatie gehad waarvan ik wist: als ik die meteen die dag had opgeschreven, was ik een etmaal de man geweest. Maar wat gebeurt er de dag, de week en maand erna? Uiteindelijk gaat het me daar om. Misschien ben je vanuit een bepaald oogpunt wel een betere journalist… als je dat dan wel meteen opschrijft. Maar dat is het me gewoon niet waard.”

Er zijn vast journalisten die vinden dat alles wijken voor je journalistieke verhaal. Dat je er alles voor opzij moet zetten.

“Tsja. Ik ben als één van de weinige journalisten goed met Hakim Ziyech. Ik zag laatst bij hem wat gebeuren tijdens een wedstrijd, een bepaalde ergernis ontstaan. Eerst vertelt ‘ie dan helemaal niks, in de perszaal tegenover alle journalisten. Maar ik hoor dan iets later, als ik hem even alleen spreek, wél waar die ergernis vandaan komt. Maar dat komt juist omdát ik dat niet zomaar opschrijf. Misschien schrijf ik het vier of vijf weken later wel op, maar dan vanuit mijn perspectief en analyse. Als ik had willen scoren had zijn quote vijf minuten erna overal op internet kunnen staan, met mijn naam eronder. Maar wat dan? Dan heeft hij gezeik met zijn club en krijg ik op mijn beurt weer gezeik met hem. Terwijl ik er nu juist meer mee kan, met die informatie. Nu ik dit weet, ga ik er op letten en kan ik het zelf beschrijven, wetende dat het klopt wat ik beweer.”

Je bent nu 34 en hebt twee dochtertjes. Heb je wel eens het gevoel dat je niet meer ambities moet hebben? Dat je je soms wat meer zorgen zou moeten maken?

“Ik maak me echt totaal geen zorgen. Het leven is toch hartstikke mooi? Binnen deze baan maak ik zoveel mooie dingen mee. Ik heb nu vijftien landen bezocht voor VI en volgende week ga ik naar Wit-Rusland. Hartstikke mooi. Terwijl ook daarvoor geldt; ik heb dat nooit actief nagejaagd. Sterker nog; ik wilde eerst niet eens naar het buitenland voor m’n werk, ik voetbalde zelf in de weekenden. Maar het overkomt je. En als je er terug op kijkt… je komt op plekken waar je anders nooit zou komen.

Mensen zeggen wel eens: ‘Je hebt een droombaan!’. Maar anderzijds: er zijn zoveel banen droombanen: in mijn achterhoofd speelde altijd de wens om ooit leraar te worden. Voor de klas te staan. Misschien is de journalistiek voor mij inmiddels gewoon ‘gewoon’ geworden. Aan de andere kant ben ik nog steeds elke week bezig het beste eruit te halen. Sommige journalisten barsten van ambitie, maar worden al snel gemakzuchtig. Dat heb ik nooit: ieder verhaal probeer ik goed te doen. Maar als het ooit opeens afgelopen is, dan is dat maar zo. Je moet er een beetje om kunnen lachen, dit hele gedoe.”