‘De democratische kracht van de journalistiek zal blijven’
interview, gepubliceerd op 01 Nov 2021, door Sara Visser

NRC-columnist recht en rechtspraak Folkert Jensma vertelt over de veranderingen die de journalistiek heeft doorgemaakt de afgelopen decennia. ‘De politieke journalistiek heeft zich verbreed, is maatschappelijker geworden, en mediakritiek is opgekomen.’

‘Je moet altijd oppassen met grote woorden, maar over de staat van de journalistiek ben ik eigenlijk optimistisch.’ Oud-NRC-hoofdredacteur Folkert Jensma (1957) vertelt in zijn huis in Leiden over de veranderingen die de journalistiek heeft doorgemaakt gedurende zijn loopbaan. Ooit naast zijn studie Rechtsgeleerdheid in datzelfde Leiden begonnen als redacteur bij universitair weekblad Mare, kreeg hij al snel de journalistieke smaak te pakken. Sinds 1985 is hij werkzaam bij NRC en heeft hij veel verschillende kanten van de journalistiek gezien. Zo was hij onder meer redacteur binnenland, verslaggever, politiek redacteur, correspondent in Brussel en van 1996 tot 2006 hoofdredacteur van NRC Handelsblad. Tegenwoordig schrijft hij voor deze krant columns over de rechtsstaat, rechtbankverslagen, juridische commentaren, een nieuwsbrief en een juridische blog. Bovendien is hij sinds een jaar vicevoorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Journalisten (NVJ). Een lange staat van dienst.

©FennaJensmaFolkert Jensma: ‘Er zijn niet of nauwelijks klassieke media ten onder gegaan.’ ©FennaJensma

Ondanks dat Jensma een oude rot in het vak is, vindt hij het lastig algemene uitspraken te doen over de journalistiek. ‘De journalistiek omvat de breedte van de samenleving’, licht Jensma toe. ‘Al die mensen, van GeenStijl tot de Groene Amsterdammer, van links naar rechts, van boven naar beneden, dat hele amalgaam heet dan de journalistiek. Een interessant krachtenveld, maar om ze allemaal tegelijkertijd aan te spreken of te bekritiseren, is erg moeilijk. Mijn eigen ervaring is natuurlijk niet maatgevend’.

Voor Jensma geldt dat het de journalistiek als tegenmacht is ‘waar het hart sneller van gaat kloppen’. Jensma: ‘Het is de maatschappelijke functie van de journalistiek om de macht te controleren, door de mondige burger van informatie te voorzien waardoor die zijn rol in de democratie kan uitoefenen. Als je een hoofdredacteur spreekt, zal hij ook zeggen dat de krant er uiteindelijk is als steunpilaar van de democratie. Om inzichtelijk te maken wat er gebeurt in de maatschappij en de politiek. En om aan het licht te brengen wat er mis gaat.’ Wordt die rol goed vervuld? ‘Ja ik ben eigenlijk niet ontevreden, we staan er redelijk tot goed voor.´

Vanwaar dat optimisme?

‘Ik werk in de journalistiek sinds 1980. De grote ontwikkeling in die tijd was de transitie naar het internet. Dat leidde tot een sombere periode, rond de eeuwwisseling. Toen was de heersende gedachte dat de betaalde journalistiek ten onder zou gaan. De klassieke media zouden het afleggen tegen de gratis digitale media. De rol van de journalistiek zou worden overgenomen door de burger. Krantenjournalistiek? ‘Dat is inkt smeren aan dode bomen’, zo hoorde je overal. Als je nog in een klassiek verdienmodel zat met abonnees en mensen die geld betaalden voor informatie, dan kon je je begrafenis bestellen. Maar dat is niet waar gebleken hè? Er zijn niet of nauwelijks klassieke media ten onder gegaan.’

Heeft de kwaliteitsjournalistiek dan niet geleden onder die digitalisering?

‘Betaalde, kwaliteitsvolle onderzoeksjournalistiek heeft juist een impuls gekregen. We hebben er een aantal kwaliteitsmedia bij gekregen die daarbij bovendien veelal een digitale achtergrond hebben. Follow The Money, Investico, De Correspondent, noem maar op. Ook zijn er onderzoekscollectieven opgekomen, zoals Bellingcat en zijn er internationale samenwerkingsverbanden ontstaan, wat heeft geleid tot internationale onderzoeksjournalistiek. Denk aan de onthullingen uit de Panama Papers. Dit hadden we allemaal niet, in de jaren ’80, ‘90. In de informatiemaatschappij heeft de journalistiek zich dus vrij goed weten te handhaven. Waar ik mij wel zorgen over maak is de mate waarin de journalistiek leunt op slecht betaalde freelancers. Dit is op termijn een bedreiging. Als je freelancers onderbetaalt, dan dwing je ze ook commerciële opdrachten aan te nemen. Dat leidt tot afhankelijkheid. Je kan niet van iemand verwachten dat hij op maandag en dinsdag totaal onafhankelijk is, maar op woensdag een acquisitie doet bij de ABN AMRO voor een bijdrage aan het jaarverslag. Dat leidt uiteindelijk tot halfbakken journalistieke producties. Dit moeten uitgevers en vooral hoofdredacteuren zich aan trekken. Met lage tarieven krijg je verminderde kwaliteit.’

Die politieke woordvoerders kunnen we heus wel plaatsen en duiden.

Over kwaliteit gesproken, binnen de politieke journalistiek is er toenemende kritiek op de invloed van persvoorlichters. Kan de journalistiek zich nog onttrekken aan de beeldvormingspraktijken van politiek Den Haag?

‘Ja, beeldvorming lijkt steeds belangrijker te worden in de politiek. Dat leidt aan de kant van de macht – het bestuur – tot steeds meer communicatiemensen die de journalistiek proberen te beïnvloeden. Maar dat hoort erbij. Dat was 30 jaar geleden ook al zo, en 50 jaar geleden. Alleen het aantal voorlichters waar je mee te maken hebt als journalist voordat je iemand te pakken krijgt, dat is wel verveelvoudigd.’

Het is niet zo dat de politieke journalistiek zich door die ontwikkeling teveel laat regisseren?

‘Nou ja, dan ben je je vak gewoon niet waard. Er wordt natuurlijk enorme moeite gedaan om een bepaalde interpretatie mee te geven, maar dat is voor een journalist uiteindelijk alleen maar input. Die woordvoerders kunnen we heus wel plaatsen en duiden. Al wonen er honderden voorlichters aan het Binnenhof. Ga je gang maar. Die zijn niet van belang. Het gaat om de politieke kwestie zelf, of een politicus. De rest eromheen, dat is alleen maar ruis.’

Een belangrijk politicus tijdens uw hoofdredacteurschap, was Pim Fortuyn. Hoe plaatste en duidde de journalistiek hem toen?

‘Kijk, Fortuyn werd onder meer groot door de mediabelangstelling. Hij werd opgetild door de journalistiek. Hij was controversieel en dat was eindeloos fascinerend. Wat hij zei maakte ook allerlei gevoelens los, negatieve gevoelens. Daarbij had hij een woeste loopbaan achter de rug vol successen en mislukkingen. Dus ja, hij was een soort paradijsvogel. Ik kan mij herinneren dat de discussie bij NRC draaide om de vraag of er wel aandacht moest uitgaan naar iemand zonder zetel in de Kamer. Moeten we niet alleen de serieuze politiek, van de gevestigde partijen, volgen? Dus daar zat een element van onderschatting in. Hij was een buitenstaander en in de gevestigde, parlementaire journalistiek was de houding: er staan zoveel fantasiepartijen op de lijst, dit wordt geen onderwerp voor de serieuze Haagse journalistiek.’

Is er sprake van een Pim-Fortuyn-effect? Heeft zijn moord die relatie tussen journalistiek en politiek veranderd?

‘Die moord heeft alles veranderd, niet alleen de journalistiek. Het was een wake-up call. Het argument ‘die man zit niet in de Kamer, dus daar hoeven we geen aandacht aan te besteden’, was meteen van de mat en wel voor altijd. De blik van de politieke journalist moet breder zijn; mede gericht op buiten-partijpolitieke ontwikkelingen. Men realiseerde zich dat zo’n plotselinge opkomst zich kon herhalen. Dat is ook gebleken. Die verbrede blik heeft misschien ook wel weer geleid tot overbelichting: voor de opkomst van Rita Verdonk was bijvoorbeeld onmiddellijk scherpe aandacht. Was dat dan weer teveel? Zeg het maar, proportie is altijd moeilijk.’

NRC kwam ook onder vuur. De kritiek zou Fortuyn hebben vermoord.

‘Ja, de beschuldiging luidde dat de media hem eerst hadden opgetild, om daarna als grootste criticaster bij te dragen aan de motieven van de moordenaar. Deze geluiden waren ongekend en leidde tot een enorme impuls voor de mediakritiek. Wat in ieder geval bij ons [NRC red.] heeft geleid tot meer verantwoordingsmechanismen. Tot dan toe bestonden er geen rubrieken waarin media over zichzelf schreven. Ook de mediaombudsman vindt zijn wortels in die periode. We ontdekten toen dat als je breed maatschappelijke kritiek krijgt, je een onafhankelijke eigen instantie nodig hebt die dat weegt en beoordeelt. Dat zijn dus twee belangrijke veranderingen geweest: de politieke journalistiek heeft zich verbreed, is maatschappelijker geworden, en mediakritiek is opgekomen.’

Dat zijn uiteindelijk positieve veranderingen. Bent u over de toekomst ook positief?

‘De toekomst van de journalistiek? Daar durf ik niks over te zeggen. Iedereen heeft nu een mobiele telefoon; ik heb geen idee wat ik over tien jaar in mijn hand heb, geen idee wat Google en Facebook gaan doen. Ik weet alleen dat toen ik in 2007 uit de hoofdredactie stapte, ik dacht: zal ik journalist blijven? Zit daar nog toekomst in? Dat was geen optimistische tijd. Maar langzaam maar zeker werd duidelijk dat het wél kon. Wat een zucht van opluchting heb ik toen geslaakt. Ik dacht: jongens, we zijn over de drempel. We kunnen exploiteren, we kunnen geld vragen en ze betalen het ook. Maar wat er over een jaar of tien komt… geen idee. Ik denk dat de democratische kracht van de journalistiek in een rechtsstaat van ongelofelijke betekenis is en dat er altijd verstandige burgers zullen zijn die dat in leven zullen houden. Maar of dat in deze omvang zal zijn, of met het gewicht dat we nu hebben, Joost mag het weten.’

 
Leestijd: 6 minuten