Hoe het behandelindexcijfer de fysiotherapie heeft gekleineerd
explainer, gepubliceerd op 15 Sep 2017, door Pim Pauwels

Stel, je bent aanvullend verzekerd en hebt in jouw zorgpakket 25 behandelingen voor de fysiotherapeut. Uiteraard verwacht je als patiënt deze behandelingen te mogen gebruiken als je ze nodig hebt. Al is dat door de intrede van de behandelindex van zorgverzekeraars nog maar de vraag.

Om de zorg betaalbaar en efficiënt te houden krijgen fysiotherapiepraktijken elk kwartaal of half jaar spiegelinformatie doorgestuurd van zorgverzekeraars. Daarin worden fysiotherapeuten vergeleken met hun collega’s elders in het land. Vooral het behandelindexcijfer vormt voor zorgverzekeraars een belangrijk vergelijkingsinstrument. Maar op dit moment schiet de behandelindex zijn doel voorbij.

Wat is het behandelindexcijfer?

Met het behandelindexcijfer wordt het gemiddeld aantal behandelingen per klacht van een praktijk ‘gespiegeld’ met het landelijk gemiddelde. Volgens zorgverzekeraars is de behandelindex een gewogen gemiddelde. Dat betekent dat het cijfer wordt gecorrigeerd op onder andere de leeftijd van de patiënten en de aard van de klachten, al maken zorgverzekeraars hun precieze formules waarmee zij het gemiddelde berekenen niet bekend.

Als een fysiotherapeut onder het landelijke gemiddelde zit, dan betekent dit dat hij gemiddeld genomen minder behandelingen per klacht nodig heeft dan zijn collega’s in Nederland. Boven het landelijk gemiddelde zitten betekent echter dat de fysiopraktijk gemiddeld meer behandelingen nodig heeft.

En dan gaat er een belletje rinkelen bij de zorgverzekeraar. Aangezien het behandelindexcijfer de norm is waarmee zorgverzekeraars de kwaliteit van fysiopraktijken meten, staat een te hoog indexcijfer voor de verzekeraar gelijk aan een niet goed functionerende fysiotherapeut.   ?   Een indexcijfer is een verhoudingsgetal. Het geeft de procentuele toe- of afname aan ten opzichte van een referentiewaarde. Deze referentiewaarde staat altijd gelijk aan 100. Een behandelindexcijfer van 105 geeft dus aan dat een fysiopraktijk gemiddeld 5 procent meer behandelingen geeft per klacht dan andere praktijken in Nederland.

Om ‘ondermaatse’ fysio’s te beteugelen vergoedt de zorgverzekeraar minder per behandeling. In feite worden de therapeuten met deze maatregel gekort op hun inkomen, omdat hun loon afhankelijk is van de inkomsten die zij per behandeling krijgen.

Soms kan de verzekeraar er zelfs voor kiezen om helemaal geen overeenkomst meer te sluiten met een praktijk, waardoor patiënten met een aanvullende verzekering toch (een deel) moeten betalen voor hun behandeling. Het gevolg daarvan is dat patiënten zullen kiezen voor een praktijk waar ze hun behandeling wel volledig vergoed krijgen.

Maar door de stijgende zorgkosten is het toch juist goed dat er op inefficiënte fysiotherapeuten wordt gekort?

De behandelindex schiet op dit moment zijn doel voorbij. Fysiotherapeuten doen er alles aan om onder het behandelgemiddelde te komen, want bij een indexcijfer boven de honderd – in dat geval ligt het praktijkgemiddelde boven het landelijke gemiddelde ­– worden zij gestraft door de verzekeraar. Doordat elke fysiotherapeut onder het landelijk gemiddelde wil zitten, zal uiteindelijk de referentiewaarde dalen. En dat proces herhaalt zich ieder jaar (zie tabel).

In de praktijk werkt dat als volgt. Een fysiotherapeut die toevallig veel chronische patiënten onder behandeling heeft, heeft gemiddeld genomen veel behandelingen nodig per klacht. Zijn collega, die patiënten heeft met aandoeningen die binnen een aantal behandelingen opgelost zijn, heeft het daarentegen een stuk makkelijker om onder het landelijk behandelgemiddelde te blijven.   ?   In de fysiotherapie wordt onderscheid gemaakt tussen chronische en niet-chronische klachten. Voor chronische aandoeningen, zoals een dwarslaesie, krijgt een patiënt onbeperkt zijn behandelingen vergoed voor een bepaalde periode. In het geval van een dwarslaesie is dat op permanente basis.

Daarom willen fysiopraktijken – en dan met name de praktijken die dreigen boven het landelijk gemiddelde uit te komen – niet al te veel chronische patiënten onder behandeling nemen. En dat gaat ten koste van de toegankelijkheid van zorg voor mensen die de behandelingen nodig hebben.

Hoe berekenen zorgverzekeraars eigenlijk het behandelindexcijfer?

Dat weten alleen de zorgverzekeraars zelf. Het is voor fysiopraktijken gissen hoe verzekeraars hun behandelindexcijfer berekenen. De praktijken krijgen alleen inzicht in hun eigen indexcijfer en het landelijke gemiddelde. Gemiddelden van andere fysiopraktijken zijn afgeschermd.

Daarnaast krijgen fysiotherapeuten pas aan het eind van een periode de gemiddelden voor die afgelopen periode opgestuurd. Tussentijds het aantal behandelingen bijstellen aan het landelijk gemiddelde kan niet, want dan is de referentiewaarde nog helemaal niet bekend. Bovendien hanteert iedere zorgverzekeraar een andere formule om de behandelindex te berekenen. En deze formule wordt door de verzekeraars niet publiekelijk gemaakt.

Door de intrede van de behandelindex lijkt het er dus op dat niet de zorgverleners de zorg bepalen die zij verlenen aan hun patiënten, maar dat verzekeraars die rol op zich hebben genomen. Hierdoor wordt niet de kwaliteit van de zorg leidend, maar het besparen op de zorgkosten. Volgens Kitty Bouten, bestuurslid van het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF), dreigt door de constructie voor maarliefst een kwart van de fysiotherapiepraktijken een faillissement, vertelde ze in juni tegen Radio 1.

Wordt er dan niets gedaan om dit probleem op te lossen?

Eind vorig jaar schonk het televisieprogramma zorg.nu van AVROTROS aandacht aan de problematiek rond de behandelindex. Die uitzending maakte veel los en bracht de discussie rondom het indexcijfer op gang. Voor fysiotherapeuten was het de aanleiding om de petitie ‘stop de behandelindex’ te starten die op dit moment ruim 45 duizend keer is ondertekend.

Deze aandacht heeft ervoor gezorgd dat er afgelopen zomer een zogenoemd hoofdlijnenakkoord is gesloten tussen paramedici, patiënten en zorgverzekeraars op initiatief van minister Edith Schippers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.  Hierin is overeengekomen dat zorgverzekeraars die zijn aangesloten bij de Stichting Kwaliteitsmonitoring Zorg (SKMZ) een uniforme rekenmethode voor de behandelindex zullen gebruiken.

Deze rekenmethodiek is inmiddels door de aangesloten zorgverzekeraars ontwikkeld en positief ontvangen. Het is echter nog maar de vraag of de nieuwe behandelindex standhoudt. Het hoofdlijnenakkoord is maar tot eind 2018 van kracht en niet alle zorgverzekeraars zijn aangesloten bij SKMZ. Bovendien mist de rekenmethode voor de behandelindex nog steeds kwalitatief materiaal om praktijken met elkaar te vergelijken, zoals patiëntenervaringen.

Er lijkt dus wel beweging te komen in het probleem dat de behandelindex heet, maar het is nog afwachten of de patiënt daar iets van merkt.

 
Ik heb de informatie gecheckt bij een werkzame fysiotherapeut en ik heb de informatie van de bronnen vergeleken met de informatie die zorgverzekeraars CZ en VGZ over de behandelindex naar buiten brengen.