Documentairemaker Jessica Villerius: ‘Het is niet mijn taak om voor hun trauma te zorgen, maar wel om geen extra trauma te bezorgen’
interview, gepubliceerd op 14 Oct 2020, door Manon Blonk

In gesprek gaan met een seriemoordenaar, anorexiapatiënt, ter dood veroordeelde, ex-gedetineerde of zuurslachtoffer. Voor de meeste mensen geen dagelijkse bezigheid, maar documentairemaker Jessica Villerius doet het al dertien jaar om de meest indrukwekkende portretten van stuk voor stuk bijzondere mensen te maken. Volgens haar de leukste baan ter wereld, al is het niet altijd een makkelijke taak. ‘Sommige mensen zeggen: je bent een journalist, je houdt toch afstand? Ónzin.’

Het criminele brein of de psychiatrie, dat zijn de twee onderwerpen die in haar documentaires centraal staan. Met haar onuitputtelijke drive voor het vertellen van menselijke verhalen gaat ze aan de slag. Liefst met verhalen die verteld moeten worden, maar waarvoor wel duizend redenen zijn om het niet te doen; vanwege een bepaald vooroordeel, omdat het gevaarlijk is of ongemakkelijk. Maar altijd is er het doel: mensen iets bijbrengen wat ze niet wisten. Educaten, noemt ze het zelf. Omdat de meeste mensen nou eenmaal nooit tegenover een seriemoordenaar, anorexiapatiënt of ter dood veroordeelde zitten. ‘Ik hoop dat mensen door mijn documentaires op verjaardagen wat intelligentere gesprekken hebben’.

Met veel liefde en zorg vertelt ze dus de verhalen van anderen, veel minder graag heeft ze het over zichzelf. Toch worden de rollen even omgedraaid: deze keer worden de vragen aan háár gesteld. In gesprek over de kunst van het maken van een goede documentaire en alles wat daarbij komt kijken, op zoek naar het geheim van documentairemaker Jessica Villerius.

Even terug naar het begin. Jouw allereerste documentaire ging over Marc Dutroux; meteen een groot succes. Hoe is dat gegaan?
‘Bij een masterclass van mijn studie HBO communicatie moesten we het meest memorabele nieuwsfeit uit onze jeugd evalueren. Voor mij was dat de zaak Dutroux. Ik was vijftien toen al die meiden verdwenen, alle kranten stonden er vol van. Ik merkte dat er drie miljoen hits waren over wat Marc Dutroux allemaal had gedaan, maar ik kon niks vinden over hoe hij eigenlijk zo geworden was. Dat fascineerde mij juist. Ik ben gaan graven en heb mezelf er helemaal in verloren, want ik had zijn hele familie in kaart, ik had iedereen gesproken, zelfs Marc Dutroux zelf. Daar wilde ik een documentaire van maken, maar dat wilde ik doen zonder iemand die in mijn oor zat te tetteren hoe het moest worden. Zo is mijn bedrijf Posh Productions geboren.’

Het werd jouw debuut, ‘Wortels van het kwaad, brieven van Dutroux’.
‘Ja. En dat wilde ik meteen helemaal goed doen. Ik wilde geen fouten maken, omdat het een heel gevoelig onderwerp was. De hele familie had mij in vertrouwen genomen en je hebt ook te maken met nabestaanden van de slachtoffers, die zitten vaak niet te wachten op zo’n documentaire.’

Heb je weleens problemen gehad met slachtoffers of nabestaanden?
‘Ja, ik heb wel eens een inschattingsfout gemaakt in mijn aanpak. De nabestaanden van een vermoord meisje reageerden daar zó ontzettend heftig en boos op, ik had ze onbedoeld gekwetst door ze te laat te informeren dat ik de moordenaar van hun kind had geïnterviewd. Daar hadden ze meer tijd voor nodig en achteraf gezien begrijp ik dat. Het was echt het dieptepunt van mijn carrière. Een misdaadjournalist zei ooit tegen mij: als je iedereen tevreden houdt, ben je de mensen niks nieuws aan het leren. Daar hou ik me ook wel aan vast, maar ik probeer het zoveel mogelijk te beperken en ik probeer altijd alles vanuit zuivere intenties te doen. Zolang dat gebeurt, zit het goed, al realiseer ik me dat er vaak minimaal één partij niet blij zal zijn met mijn film, omdat ze vaak iets ongemakkelijks blootleggen. Dat kunnen nabestaanden zijn, of een dader, de politie, een advocaat of een ziekenhuis of instelling. Dat probeer je te beperken door je intenties steeds duidelijk uit te leggen. Documentaires maken is sowieso veel meer dan alleen filmen; de meeste tijd gaat zitten in zorggesprekken met de hoofdpersonen, maar soms dus ook met patiënten, slachtoffers of nabestaanden.’

Misdadigers zijn vaak eerst slachtoffers

Want je werkt natuurlijk met een hele kwetsbare groep mensen, in de psychiatrie. Dat lijkt me heel anders dan wanneer je in de gevangenis tegenover een gedetineerde zit.
‘Je gebruikt inderdaad wel andere technieken. Maar het is een groot misverstand dat misdadigers niet kwetsbaar zijn, want misdadigers zijn vaak eerst slachtoffers voordat ze dader worden. Misschien zijn ze nog wel kwetsbaarder, want ze hebben weinig reden om mij te woord te staan. We hebben het vaak over dingen waar ze zich voor schamen. Je moet goed aanvoelen wat iemand aankan en waar je niet moet komen. Als ik merk dat iemand in herbeleving of angst schiet of over zijn grenzen heen gaat, stop ik daar. Want zo iemand gaat na het interview weer terug naar zijn cel en zit daar alleen met al zijn emoties. Daarom hou ik na het interview ook altijd nog een debriefing. Dan praten we over veel lichtere dingen en toets ik hoe iemand ‘erbij zit’. Ik sta nooit meteen op om te zeggen: ‘joe, bedankt’, in tegenstelling tot veel andere journalisten. Die nagesprekken vind ik juist zo mooi; je krijgt dan terug hoe iemand het ervaren heeft en hoe je iemand dus achterlaat.’

Het lijkt mij dat je een hechte band opbouwt met deze mensen.
‘Als je iemand voor een documentaire lange tijd volgt, dan wel ja. Dat gaat dag en nacht door, een documentaire speelt zich nooit af tussen negen en vijf. Omdat we dan zo’n band hebben opgebouwd, bellen ze mij als eerst als er iets gebeurt. Niet eens omdat het dan vastgelegd moet worden voor de documentaire, maar puur om het met mij te delen. Ik moet dan wel oppassen dat ik geen hulpverlener wordt, want het is niet mijn taak om voor hun trauma te zorgen. Maar ik vind het wel mijn taak om ze geen extra trauma te bezorgen, dus daar moet je heel voorzichtig mee zijn.’

Hoe doe je dat, geen hulpverlener worden?
‘Ik hou mezelf voor: ik ben professioneel luisteraar. Mensen willen vaak geen advies, ze willen zelfs vaak niet gered worden, ze willen gewoon vertellen. En ik luister. Na de documentaire hou ik vaak nog contact met mensen en dat is onwijs leuk. Ik maak sommige mensen mee in een heel diep dal en je ziet de communicatie daarna van somber naar steeds lichter gaan. Hoe leuk is het dan als ze jou niet meer bellen voor ellende maar omdat ze zwanger zijn, gaan trouwen, eindelijk weer contact hebben met hun ouders, uit de gevangenis komen, noem maar op. Ik vind dat fantastisch.’

Denk je dat het proces van jouw documentaire daar aan bij heeft gedragen?
‘Dat vind ik altijd lastig, maar ik neig naar wel. Het is voor veel mensen de eerste keer dat ze ergens over praten, daarna wordt het makkelijker, ook omdat er vaak steun en begrip uit onverwachte hoek komt na de uitzending. Al heb ik tijdens opnamen ook weleens gedacht: dit gaat de verkeerde kant op. Zo zag ik iemand met een eetstoornis zo snel achteruitgaan dat ik dacht: misschien komt dit doordat we haar filmen, dat ze steeds dunner op beeld wil. Dan leggen we het draaien stil, daar heb ik geen enkele moeite mee. Je wilt natuurlijk niet dat iemand vanwege een fucking documentaire-deadline in een nog dieper dal terecht komt.’

Soms zit ik dan 1,5 uur bij de psycholoog, boos te zijn op de wereld

Het zijn vaak wel heftige onderwerpen, zeg. Je ziet en hoort volgens mij hele nare dingen. Hoe ga je daar mee om?
‘Ik denk dat het belangrijkste is dat je kennis van zaken hebt. Ik weet veel van trauma’s, persoonlijkheidsstoornissen en beschadigde hersenen. Maar daarnaast werken we ook met een psycholoog. Want naast journalist ben je natuurlijk gewoon mens en je moet ook slapen. Dat gaat niet altijd. Dan moet je met een psycholoog praten, want met andere mensen kan dat niet vanwege mijn geheimhoudingsplicht. Soms zit ik daar dan 1,5 uur boos op de wereld te zijn. Dat moet er allemaal uit. Je leert ervan, want ik zou niet zeggen dat het me nu niet meer raakt, maar het komt op een andere manier binnen.’

Welk moment uit de afgelopen dertien jaar heeft je het meest geraakt, of is je het meest bijgebleven?
‘Eigenlijk kan ik alles nog terughalen. Als je nu een scene opnoemt, ik weet precies wie, wat, waar en hoe het rook…’

Ik heb er wel één, uit ‘Deal met de dood’. De documentaire over Clinton Young die ter dood veroordeeld is voor twee moorden die hij helemaal niet gepleegd kan hebben, blijkt uit jouw documentaire. Je praat hierin ook met medeverdachte David Page, die heeft verklaard dat Young de moorden heeft gepleegd. Maar in jullie gesprek zegt hij andere dingen dan in zijn verklaringen, waardoor de zaak weer is gaan lopen. Dat moment kan je je vast herinneren.
‘Zeker, het was een goede dag voor de journalistiek.’

Wat ging er door je heen toen David Page de fout in ging?
‘Ik voelde het in mijn onderbuik, ik vond het heel erg voor hem. Er ging zo veel door me heen, want ik dacht ook aan de moeder van David Page die nu te verwerken krijgt dat haar zoon misschien toch wel de moorden heeft gepleegd, aan Clinton Young en alle mensen die zich hard hebben gemaakt voor zijn zaak, aan de nabestaanden die al 18 jaar boos zijn op iemand die het helemaal niet heeft gedaan… Maar ik voelde dus ook empathie voor David zelf. Het was een dubbel gevoel, want je bent ook blij dat de waarheid eindelijk boven water komt.’

Dat was een goede dag voor de journalistiek

Je hebt een lieve, open uitstraling, misschien zelfs ook een beetje onschuldig. Maakte je daar gebruik van tijdens dat gesprek of in andere documentaires?
‘Niet bewust, denk ik. Anderzijds ben ik me wel bewust van dat mensen vaak graag met mij praten, maar dat kan ook komen doordat ik een vrouw ben of doordat mensen weten wat en hoe ik mijn documentaires maak. In het geval van David Page denk ik dat hij mij onderschat heeft. Want ik had keurig aangegeven wie ik ben en wat ik doe, maar hij had het idee dat ik een of andere BN’er was die maar wat vragen kwam stellen. Niet iemand die zijn zaak tot in het kleinste detail kent. Maar ik maak er geen misbruik van, want ik ben me heel goed bewust van de risico’s voor mensen. Of je nou een misdadiger bent of iemand met een psychiatrisch probleem, je loopt gewoon risico. Daar moet je voorzichtig mee zijn denk ik.’

Je hebt zoveel mooie, indrukwekkende documentaires gemaakt. Waar ben je het meest trots op?
‘Ik vind trots altijd een hele moeilijke, want ik zie dit werk echt als mijn missie. Ik heb de mooiste baan ter wereld. Ik denk dat de zaak van Clinton het dichtste bij trots komt, maar het is meer dankbaarheid. Ik was zo blij dat ik die zaak gedaan heb, bij andere mensen zou het misschien helemaal de verkeerde kant op zijn gaan. Ik heb al zoveel toffe dingen mogen doen, maar mijn lijst wordt nog steeds bijgeschaafd. Nog genoeg te doen, want zo lang er mensen zijn, zijn er verhalen en is er dus werk voor mij.’